Wissels

INTRO
Ergens in 1996 ben ik begonnen met een boek, een boek dat wel meer dan 200 A4-tjes groot werd en welke wel vier maal is herschreven. Iedere keer weer zocht ik naar de juiste wijze waarop het geen enkele schade zou toebrengen aan personen uit mijn verleden omdat het destijds allemaal begonnen was uit emoties. Die zijn al zo verschrikkelijk lang passe, daar gaat het al lang niet meer over, alleen het verhaal wat ik er omheen breidde bleef maar hangen en de laatste jaren schreef ik het op de achtergrond in mijn blog, op een veilige plek en voor niemand beschikbaar. Nu ben ik zover om het op een andere wijze te schrijven, voor de laatste keer en het op een toch wel vreemde manier te delen. Zo schrijf ik iedere keer een stukje, met tussenpozen van een uur, een dag, een week of misschien wel een maand. Wie zal het zeggen. Omdat de gebeurtenissen vele jaren terug gaan zou ik het op prijs stellen als jullie meedenken / meehelpen als ik de fout in ga met bijvoorbeeld een omschrijving van een omgeving, namen, dingen, noem maar op. Schroom niet om mij taaltechnisch te verbeteren. Als ik op mijzelf ga wachten totdat ik de mij reeds langere tijd beloofde schrijverscursus en Nederlandse les ga volgen, komt er dus niets op papier. Zo schrijf ik, begin ik uit de losse pols en hoop uiteindelijk het hele mysterie opgelost te krijgen. (Niet verder vertellen, maar die weet ik al).


Hoofdstuk 1

Als spoor-vrouw en freelance onderzoekster raakte zij betrokken bij de dood van een jonge vrouw. Het was een begin van een lange reeks aan gebeurtenissen die haar hele leven overhoop haalde. Soms kom je in situaties terecht waarin je niet wilt zitten en vervolgens laat het je niet meer los. Het is ruim 12 jaar geleden dat zij voor het laatst naar de vier dozen met dossiermappen keek, de dozen die nu al ruim een week in een hoek van haar kleine woonkamer staan. Ze zijn stoffig en hebben duidelijk geleden onder de vochtige omgeving waar zij de afgelopen jaren waren opgeborgen. Tien jaar heeft het destijds geduurd en na al die jaren van onderzoek kwam zij niet tot een sluitend geheel, al hoewel zij dicht bij de waarheid kwam. Misschien wilde zij dat toen ook niet. Het beheerste haar zodanig dat er geen sprake meer was van een leven. Het kleine kringetje van vrienden en het beetje aan sociaal leven was zij hierdoor uit het oog verloren en niets ging meer aan haar voorbij zonder aan die ene eerste dag te denken, de dag dat die jonge vrouw het leven liet. Het had al haar grenzen bereikt en daarom ging alles in dozen de vergetelheid in.

-Ze had net het cassettebandje in haar walkman omgedraaid toen de intercity vol in de remmen ging en het oorverdovende geluid van de magneetblokken onder de trein zelfs de muziek uit haar koptelefoon deed vervagen naar wat duistere klanken op de achtergrond. Nog voordat de trein goed en wel stilstond hoorde zij de meester door de boordomroep; ‘HC, naar voren komen alsjeblieft!’ De stem van de machinist klonk ijzig kalm, te kalm naar haar zin en enkele tellen later passeerde een HC in haastige spoed de 1e klascoupé, richting de voorzijde van de lange intercity. Die zat hoogstwaarschijnlijk verdiept in een krantje de tijd te doden en niet anders als zij uit een roes zijn geschoten. Haar gedachten, die alles behalve fijn waren, schakelde in luttele seconden over in hetgeen zij getraind was. Dit was alles behalve nieuw voor haar en tegen beter weten in hoopte zij stilletjes ‘dit’ nooit meer mee te maken, het waren beroepsmatige ervaringen die al zoveel van haar hadden gevergd. Maar nu moest er gehandeld worden. Snel stopte zij de walkman, een zakje gemengd snoep en een aangebroken Snickers in haar rugtas, nam haar jas onder de arm en spoedde zich eveneens naar voren. Het gebeuren was niet aan de reizigers ontgaan (het inzetten van de magneetremmen veroorzaakt naast het oorverdovende lawaai ook voor een enorme vonkenregen onder de trein, wat zelfs tot brand kan leiden) en enkele waren in de gangpaden bezig om omgevallen bagage op te ruimen of stonden met hun neus tegen de ramen aangeplakt, in de hoop iets waar te nemen waarvan zij al wist dat je dit juist niet zou willen. Een reiziger stond te tieren omdat zijn koffie daar was beland waar je die niet wilt hebben. Het was vast haar zelfverzekerde houding die de reizigers uiteen dreef als ware Mozes met de Rode Zee deed, zo bereikte zij niet veel later, drie rijtuigen verderop, de cabine van de machinist. In de laatste te overbruggen meters had zij haar legitimatie uit de portemonnee in de broekzak gevist en lag de vertrouwde nokkensleutel, met de huis-tuin- en keukensleutel vast in haar hand. Zonder er bij na te denken bood zij haar hulp aan bij het treinpersoneel, dat doe je nu eenmaal voor collega’s, ook al reis je in je vrije tijd met de trein.-

Een ervaren Hoofdconducteur of machinist hoef je niets uit te leggen als er een persoon is aangereden, die heeft maar één seconden nodig om te beseffen wat er aan de hand is, waarom een trein op deze wijze stopt en zelfs al maakt het remsysteem een oorverdovend geluid, als je een keer een aanrijding hebt ervaren, dan weet je instinctief wat er aan de hand is. Volgens de voorschriften blijft de meester op de trein en heeft deze contact met de hulpverlenende instaties en draagt zorg voor de veiligheid op zijn eigen spoor en het nevenspoor. De Hoofdconducteur verlaat de trein om het slachtoffer eerste hulp te verlenen of, zoals in de meeste gevallen, de resten van het slachtoffer te onttrekken aan het zicht van eventuele getuigen.

-Het waren rare gedachten die er door haar heen schoten, terwijl zij over het schouwpad richting het onbekende liepen en kon een glimlach op haar gezicht niet onderdrukken. ‘Binnenpretje?’ vroeg Tjerk de Hoofdconducteur. Tjerk had standplaats Leeuwarden, dat hij een noorderling was, was haar niet ontgaan, hij had het uiterlijk van een uit de kluiten gewassen plattelander, eentje waar je geen ruzie mee wilde krijgen. Maar wel lekker nuchter. ‘Ik ben blij dat ik mijn zondagse schoenen niet aan heb’, was haar korte reactie en beiden schoten door de adrenaline in een uitbundig lachen. Het was maar goed dat zij de stilstaande trein vol met passagiers al ver achter zich hadden, het kan een beetje raar overkomen, twee mensen die uitbundig lachten terwijl er net iemand door deze trein was overreden.
Normaal is 1000 meter niet ver, maar hoe dichter zij bij de resten van het slachtoffer kwam, des te zwaarder werden haar benen. Ze zeiden niets meer tegen elkaar toen de eerste resten tussen de dwarsliggers zichtbaar werden en een penetrante geur hun neusvleugels binnendrong. Hier viel niets meer te helpen, dit werd afdekken en weer terug naar de trein, wachten op de hulpverlening. Met z’n tweeën spanden zij het afdekfolie zo goed als mogelijk over het grootste deel van de menselijke resten en zorgden met ballaststenen dat het niet bij het minste of geringste zuchtje wind weg zou waaien. Nu pas had zij oog voor de omgeving, nu pas voelde zij de miezel op haar gezicht en besefte dat het anders was dan dat zij voorheen had ervaren. ‘Ik loop nog even terug Tjerk’, die geen woord zei en vervolgens op een betonnen voet van een bovenleidingsportaal ging zitten en een shaggie draaide. Alles is raar op zo’n moment en hij was al meer dan blij dat een collega in burger hem bijstond, daarom zei hij maar niets en liet het voor wat het was.-

-Wat is er nu anders, het klopte gewoon niet, het is anders dan de voorgaande keren. Ze overwoog zelfs om de ballaststenen van het afdekfolie te halen en het stoffelijk overschot nogmaals te bekijken. Maar dat hoefde niet, de beelden die zij reeds had gezien waren al voor eeuwig in haar geheugen opgeslagen. Ook dacht zij aan Tjerk, die niet ver genoeg verwijderd was en vast niet opnieuw geconfronteerd wilde worden met het resterende deel aan stoffelijk resten. Het was anders, anders dan dat zij kon ophalen aan voorgaande beelden. Er klopte iets niet, maar wat.-

De afgelopen jaren waren niet makkelijk geweest en toen zij eindelijk haar besluit had genomen om terug te keren naar de plek die haar het meest dierbaarst was, kwam eindelijk de rust waarnaar zij al jaren zocht. Tijdens die zoektocht nam zij afstand van vele dingen uit haar bestaan en het weinige wat haar nog lief was aan materiële zaken paste met gemak in het bestelwagentje. Als eerste schoof zij de vier dozen met dossiermappen in de laadruimte, die mochten niet achterblijven voor de slopers van haar ‘anti-kraakwoning’. Een doos met foto’s en enkele vouwkratten met LP’s en een versleten plunjebaal met oude leger kleding. De tassen met wat administratie, vergeelde documenten en enkele schilderijlijstjes schoof zij achteloos op het laatste stukje vrije bodemplaat. De vuilniszakken met beddengoed en kleding werden achterloos tussen en op de dozen en kratten gepropt. De vuilniszak met natte was moest wel mee, daar zat haar ondergoed nog tussen en als zij ergens een hekel aan had dan was het wel geen schoon goed aan haar lijf. Restte haar nog enkel een ritje naar Shurgard om de geluidsapparatuur, de computer en wat klein meubilaire op te halen. Nog even keek zij om, naar de anti-kraakwoning, alwaar zij toch nog 4 jaar kon wonen en al was de omgeving er een waar je voor geen goud wilde wonen, het deed haar toch even slikken.

Als het aan haar lag was het de laatste verhuizing in haar leven en toen alles in haar nieuwe flatje op zijn plek stond, deels met spulletjes van de plaatselijke kringloopwinkel, kwamen de kriebels van lang geleden weer terug. De dozen die zo lang uit het zicht waren opgeborgen kwamen de laatste tijd te veel in beeld en lieten haar niet meer los. Het kon niet anders dan dat deze niet veel later een plekje in de woonkamer kregen.
Tien jaar lang had zij aan de dossiers gewerkt en hetzelfde aantal jaren leken zij voorgoed opgeborgen te zijn geweest. Zij kon er geen afstand van doen en ondanks dat zij zichzelf had beloofd het voor eeuwig met rust te laten, kon zij het niet behappen dat al dit werk in een of andere vuilcontainer zou belanden. Zo vroeg zij zich af of de nabestaanden de dozen direct zouden vernietigen of hun nieuwsgierigheid niet konden bedwingen. Het vernietigen lag haar het meest voor de hand, de dossiers waren tenslotte de oorzaak van alle verwijderingen tussen haar en haar dierbaren.
En nu stonden ze in de woonkamer en was de doos, gemarkeerd met een grote 1, vanaf de stapel op de ronde eettafel belandt. De tape was meer van de sluiting gerukt dan dat deze met enige voorzichtigheid was losgesneden, alsof het de allerlaatste keer zou zijn voor deze dozen. Ze had even niet in de gaten dat de koffie uit het kopje in haar hand over de rand liep en onder haar op het tapijt een donkere vlek maakte, zo gebiologeerd keek zij naar de mappen onder haar en vloekte in zichzelf dat het niet goed geconserveerd leek. Bijna de helft van de ordners zagen er uit alsof ze jaren buiten hadden gelegen. ‘Shit’, galmde het door de kamer, niet alleen door het troosteloze aanzicht van de paperassen maar meer doordat de hete koffie nu de kant van haar hand bereikte en zij pijnlijk uit haar roes kwam. ‘Shit’.

Na de vlek uit het kleed zo goed mogelijk te hebben behandeld en een tweede kopje koffie veilig in de vensterbank was neergezet, opende zij de deur naar het balkon, welke haar groot genoeg leek om er iets leuks van de maken, haar groene vingers jeukte al bij het idee alleen al en als zij haar creatieve brein de vrije loop geeft beloofd het een klein paradijselijk buitenplaatsje te worden. De windhaak ging in het daarvoor bestemde oogje en terwijl zij een stap deed richting de balustrade waaiden een verdwaalde regendruppel in haar gezicht. Het uiteen spatten van de druppel veroorzaakte een soort van nevel, het deed haar terugdenken aan die 1000 meter over het schouwpad.
De vier jaar antikraak was genoeg geweest om aan de inschrijfjaren te komen die nodig waren voor een woning van een woningbouwvereniging. Al jaren probeerde zij terug te gaan naar de omgeving waar zij was opgegroeid en de enige kans was die via inschrijving bij een dergelijke vereniging. Het voelde goed om terug te zijn op dat stukje oude vertrouwde grond. Ze had bewust voor een laag gelegen etage gekozen omdat met het verstrijken van de jaren de angst voor hoogten waren toegenomen, voor haar lag de grens bij maximaal de vierde verdieping. Ze was blij met de flat en het balkonnetje, met voldoende uitzicht. Om die reden had zij het bankstel dan ook zo dicht mogelijk bij het raam gezet, zo had zij ook van binnenuit mooi zicht op de aangelegde duinen en op de boomtoppen van het Haagse Meer en Bosch.
Een tweede spetter op haar gezicht deed haar weer ontwaken en bracht de realiteit van het leven weer naar voren, tijd om boodschappen te doen. Haar hoofd moest echt leeg zijn voordat de ‘eerste’ ordner uit de doos word getrokken.

-Het was niet echt handig om in plaats van het schouwpad te kiezen voor het spoor, maar de mogelijkheid tot en het rebelse in haar kozen de weg van de meeste weerstand, het had ook iets speels en het scheelde niet veel of zij had al huppelend van dwarsligger naar dwarsligger gesprongen. Heel wijs stapte zij juist over de spekgladde eiken dwarsliggers heen, want die kunnen zo verraderlijk glad worden bij het minste of geringste druppeltje regen. Een kleine 20 meter voor Tjerk, die drukdoende via de portofoon aan het communiceren was, maakte zij halt. De penetrante geur had zich inmiddels gemengd met de onmiskenbare lucht van koeienvlaaien. Het boeide haar niet en terwijl zij de omgeving in zich opnam overviel haar een behaaglijk gevoel door de serene rust en groen om haar heen. Nog steeds niet helemaal wetende waar zij zich bevond nu exact bevond, ergens tussen de laatste stop in Zwolle en de eerstvolgende in Assen, meer kon zij er niet van maken. In de verte lag een boerderij, omgeven door hoog loof en tussen de vele akkers lagen stukjes bos, aan het dichtstbijzijnd gelegen oud en onaangeroerd stukje perceel was goed zichtbaar dat deze uit verschillende boomsoorten bestonden. Dat daar nooit iemand kwam was overduidelijk. Het was nog net geen twaalf uur en er was geen mens te zien, op geen een akker werd gewerkt en naast Tjerk waren er alleen koeien. Koeien die zich langzaam over het grasland in haar richting bewogen. Als stedeling vond zij het maar een wonderlijk dier en zou in geen honderd jaar willen ruilen. Alleen waren zij wel groot en het idee dat deze gevlekte beesten het misschien wel eens op haar hadden gemunt deden haar benen weer in beweging komen. Met een klein sprongetje over de spoorstaaf ging het laatste stukje naar Tjerk over het schouwpad.
Weg serene rust, van ergens uit de verte kwamen geluiden die aankondigde dat de hulptroepen naderden en werd het tijd om terug te lopen naar de trein. Tjerk vertelde in 950 meter voor 30 jaar aan levenservaring, zij voelde zich ook uitermate prettig bij de innerlijke rust die van hem uitstraalde en de professionaliteit in zijn handelen, tot dusver. Terwijl de hulpverlening langzaam in zicht kwam vroegen zij zich af hoe deze in godsnaam nabij wilden komen. Terwijl het laatste woord hier nog niet over was gezegd, struikelden zij bijna over een onverhard overpad van lokale agrariërs. Een blik naar elkaar was alweer voldoende om de spanning te ontladen met een lachbui, hoe konden zij dit op de heenweg finaal over het hoofd hebben gezien. Onderling werd afgesproken dat Tjerk bij het overpad zou wachten op de hulpverleners en zij naar de machinist zou gaan.-

-Het waren twee dingen die hij wilde, terug naar Zwolle en geen reizigers om zich heen. Van wat zij van de machinist had meegekregen bij de trein, was dat wat er van hem verwacht werd, tot in de puntjes geregeld bleek te zijn en nu kwam hij zelf aan de beurt. Hij had geen problemen met haar aanwezigheid, vond het zelfs wel prettig en had zij ook recht op privacy en opvang, want als er iets goed is geregeld bij de NS is het dat wel. Samen met een leidinggevende van de NS waren zij in de onbemande cabine van de eerste trein richting Zwolle gaan zitten, een stoptrein, maar alles beter dan langer op die onheilsplek te blijven. Ook al hadden zij tussen de reizigers in willen zitten dan nog was daar geen plek voor geweest, de trein was overvol met gestrande passagiers. De door de meester aangeboden bestuurdersstoel weigerde zij, daar hoorde zij niet, dat was de plek van een machinist, de bok. Zij deden het wel met de ongemakkelijk klapstoeltjes naast de cabinedeuren. Het was fijn, even helemaal niets, die rust na alle drukte en hectiek. Twee personen in die cabine waren nog niet geland, leefden nog ergens tussen hemel en aarde. Die doodse stilte werd door de procesmanager gebroken: ‘vinden jullie het erg als ik rook?’. Zij snakte inmiddels wel naar een hap nicotine en was blij dat dit de eerste woorden waren om de stilte te doorbreken. Zonder een woord te zeggen nam de machinist ook een aangereikte sigaret aan, keek er heel even naar alsof het een derde wereldwonder was en nam vervolgens een flinke hijs. Terwijl hij langzaam naar het puntje van de bestuurdersstoel schoof en zijn armen op het instrumenten tableau liet rusten, turend naar niets, zei hij dat het wel smaakte. Bij zijn tweede diepe haal kwam hij los. Wat zij hem inmiddels al drie keer had horen vertellen, kwam deze keer met horten en stoten op gang, nu met emoties en gedetailleerder. Haar vermoeden werden nog meer bevestigt, dit was slachtoffer was anders, de situatie was anders. Dat had de aanwezige hulpverlening ook gezien.Om die reden mochten zij niet direct vertrekken en werd het spoor veel later vrijgegeven dan doorgaans het geval was. Hij vertelde het aan Tjerk en haar en later aan een politieagent, kort en zonder emoties, zonder in haar ogen maar iets te missen.
Voor haar waren de emoties niet nieuw en luisterde opnieuw aandachtig naar wat hij te vertellen had. Ja het was niet zoals de voorgaande keren.-

Hoe fijn het is om weer over stoeppaden te lopen waar je ooit met rolschaatsen de losliggende tegels probeerde te ontwijken, het maakte vanmiddag niet eens uit dat het weerbericht niet klopte. Waar hoogbouw en valwinden het nagenoeg onmogelijk maakte om van enig zicht te spreken en het leek alsof je van alle kanten werd belaagd door het druilerige weer, daar trok zij haar hoofd diep in haar capuchon. De bontkraag aan de rand zorgde dat het al zo slechte zicht beperkt werd tot een paar meter trottoir. Ieder keer dat zij haar hoofd maar iets oplichtte, moest zij haastig omhoog grijpen om de capuchon op z’n plek te houden. Dit ga ik de volgende keer toch anders doen, dacht zij. Op het balkon leek het juist op te klaren, maar de intuïtie faalde deze dag heimelijk. Het maakte haar niet meer uit, zij had haar bestemming bereikt. Het verouderde winkelcentrum uit de zeventiger jaren was wel een luifel voorzien maar daaronder had de wind toch vrij spel. Het winkelcentrum lag er vrijwel identiek bij, ze zou daar nog blind de weg kunnen vinden, de middenstand was inmiddels wel drastisch veranderd. De capuchon, die nu op haar schouders rustte, liet ze voor waar hij was, het zou haar anders het plezier van window-shoppen ontnemen. De meeste beschutting vond zij langs de gevels van de winkels, welke hun waar en reclameborden inmiddels naar binnen hadden gehaald, haar enige obstakels waren andere levende zielen die schijnbaar dezelfde weer-app hadden. De slijterij zat er nog en bij enkele winkels zocht zij tevergeefs naar herkenning. Toch besloot zijn een zijvleugel te nemen om nog wat nostalgie te proeven voordat zij ging naar waar zij voor kwam. Daar waar ooit de chinees zat was nu een snackbar en waar ooit de ambachtelijke slager plakjes worst aan haar gaf, zat nu een prullaria winkel. De andere twee vleugels die het winkelcentrum rijk is liet zij maar liggen voor het volgende bezoek en ging in een rechte lijn naar het centrale pleintje. De supermarkt was nog steeds een supermarkt, de grootste winkel in het hart van het winkelcentrum met als uitbater de grootste grossier van Nederland. Ze had niet het voornemen om te sjouwen maar koos wel voor het gemak van zo’n mandje wat je achter je aan kunt slepen. De uitgifte met scanners liet zij voor wat het was, voor haar ging er niets boven het contact met een kassière. De werkelijke reden was dat zij niet aan dit nieuwe systeem kon wennen en bij het afrekenen altijd twijfelde of zij wel alle producten had gescand. En zo zat zij nu eenmaal in elkaar, alles weer uit het mandje en opnieuw de producten scannen. Over een paar weken zou zij doelbewust door de paden vol kruidenierswaren struinen, maar nu zocht zij zich wezenloos. Waarom is iedere winkel van dezelfde grossier toch altijd weer een doolhof?
Tevergeefs hoopte zij dat de lange ontdekkingsreis door de paden 1 tot en met 15 ook lang genoeg was om de weersomstandigheden om te toveren. Helaas waren de weergoden haar minder goed gezind en trachtte deze haar kortte tocht naar huis te doen vergelijken met de Elfstedentocht van 1972. Haar kletsnatte jas hing zij aan een kleerhanger boven een radiator, de nieuwe laminaatvloer in de vestibule beschermde zij uit voorzorg met een even nieuwe theedoek. Daar bovenop haar schoenen, al leken die nu meer op een overjarige pantoffel die een kuurtje in de droogtrommel hadden gehad. In drie stappen bereikte zij het behaaglijke tapijt in de woonkamer, deed haar kousen uit en liep door naar de gang met overige vertrekken. Tijd voor een behaaglijke outfit om de avond in door te brengen.

De vaat liet zij voor wat het was, als je al over een vaat kon spreken. De in de oven opgewarmde lasagne had het aluminium bakje enkel verlaten om in haar mond te verdwijnen en die ene gebruikte lepel lag uit het zicht in de wasbak. Alleen de schaal met slechts één vork, waarin de gemende sla heeft gezeten, stond op het aanrecht. Het was moeilijk om niet alvast één ordner uit de doos op tafel te halen, eerst eten en dan de volgende stap, de eerste stap om voor de allerlaatste keer te bladeren in het leven van toen.

Toen zij de handgeschreven vellen vol tekst zag verscheen er een glimlacht op haar gezicht en dacht aan de pijn in haar vingers bij het onlangs schrijven van één enkele verjaardagskaart. Hoewel de meeste vellen uit een printer kwamen zaten er ook nog getypte exemplaren tussen, veelal voorzien van een logo of aanhef. Een blik was voor haar al voldoende om te herkomst te weten en ook te beseffen dat, mocht zij dit willen doorzetten, er heel veel tijd in zou gaan zitten. Het had ook wat weg van een dagboek. Hier en daar zaten post-it’s met krabbetjes geplakt en de oude kladblokvellen, die dezelfde kleur hadden als antiek wc-papier, zaten keurig aan een A4-velletjes geniet. Onder het genot van vele kopjes koffie bladerde zij van de ene pagina naar de ander en maakte korte aantekeningen. Na een paar mindere zinnige pagina’s te hebben doorgespit kwam er een insteekhoes met een onderzoeksverslag tevoorschijn. Een verslag van haarzelf, gericht aan de leidinggevend NS-er, de machinist en Tjerk. Het papier zat door de tand des tijds lichtjes aan het plastic geplakt en tijdens het geconcentreerd los maken betrapte zij zich op een lange gaap en voelde haar billen net zo aan als toen op het klapstoeltje in die cabine. Tijd om met een kopje thee en onder een plaid op de bank verder te lezen. Als de vele kopjes koffie en de mok met thee haar blaas geen parten had gespeeld dan had zij tot diep in de ochtend op de bank doorgeslapen.

Hoofdstuk 2

Met haar billen in het kuiltje, haar onderbenen licht gespreid, met haar knieën tegen elkaar brachten samen voldoende balans om daar het bovenlichaam op te laten rusten. Haar hoofd hing net over de knieen heen naar beneden, de beide armen rusten op niets. Het was deze positie die de machinist te laat deed beseffen dat er een mens in het spoor zat, een onherroepelijke aanrijding zou binnen enkele seconden plaatsvinden. Zijn eerste reflex was de remhendel met alle kracht naar zich toe te trekken en nog voordat hij met zijn voet de tyfoon wilde beroeren was het slachtoffer reeds door de trein gegrepen.

Vanaf een kleine 75 meter afstand sloeg hij alles gade en telde de seconden dat de trein tot stilstand zou komen. Het geweld van de magneetremmen en immense geluid deden hem kippenvel krijgen. Het liep exact zoals hij het in zijn hoofd had en nu wachtte hij in spanning af wanneer en op welke afstand van hem de trein tot stilstand zou komen. Hij had een kleine 1000 meter ingeschat en mocht dat iets afwijken, dan zou hij hooguit harder moeten lopen. Nog voordat de trein goed en wel stilstond was hij uit zijn beschutting gekropen, sprong hij in het spoor en rende richting de trein. Zonder maar één gladde biels te raken had hij de achterzijde van de intercity in een rap tempo bereikt. Behoedzaam klom hij aan de blinde kant van de trein de bestuurderscabine in en gaf zich heel even de tijd om op adem te komen voordat hij de deur naar het balkon zou opendoen. De twee zitplaatsen met zich op deze deur waren bij toeval bezet door twee fietsen en toen hij de scheidingswand van regelkasten passeerde stonden er twee jonge mensen met hun neus tegen de ramen van de toegangsdeuren gedrukt. Zij waren zo afgeleid dat zij geen notie op hem sloegen. Het achterste rijtuig was bijna leeg en na het oppakken van een achtergelaten krant nam hij aan de linkerkant van het rijtuig plaats. In alle rust bladerde hij door de pagina’s van het ochtendblad heen. Dat is één en alleen een paar simpele zielen in het noorden weten wat er zich die dag heeft afgespeeld.

Na het 2e bezoek aan haar kantoor wist hij het zeker, deze vrouw had zoveel bloed onder zijn nagels vandaan gehaald dat zij eveneens een kruisje verdiende op zijn lijst met slachtoffers. Reeds na de eerste ontmoeting had zij hem zo verschrikkelijk geschoffeerd dat hij er dagen door van slag was. Desondanks was zij nog een belangrijke schakel in zijn proces en zou het annuleren van een tweede bezoek dermate veel vertraging opleveren dat een terugkeer naar deze vrouw onvermijdelijk was. Misschien had zij wel een slechte dag en kon hij haar standpunt over hem alsnog weerleggen. Helaas bleek dat niet het geval en duurde dat gesprek nog geen vijf minuten, vijf minuten waarvoor hij nagenoeg de hele dag onderweg was geweest. Hoewel hij haar ter plekke wel van alles aan had willen doen kon hij zich gelukkig beheersen en de terugreis naar ‘s-Gravenhage was lang genoeg om allerlei mogelijkheden te verzinnen om genoegdoening te krijgen. Tot nu toe waren het nog wraak gedachten en had hij die meer nodig om te verwerken dan dat hij er concreet werk van ging maken. De trigger was er nog niet.
Enkele weken later ontving hij een kopie van haar verslag, waarin hij las dat er belastende zaken van derden waren toegevoegd zonder hem daarvan in kennis te stellen. Het zou betekenen dat zijn kansen steeds kleiner werden. Hij had het wel aan zien komen en in plaats van zich op te winden viel er een ijzige kalmte over hem heen. Hij had het aan zien komen en dit was het moment dat de knop werd omgezet. Wat hij in zijn hoofd had verzonnen moest nu werkelijkheid worden, er was genoeg met hem gesold.

Iets in je hoofd verzinnen is daar aan toe, maar het daadwerkelijk uitvoeren bleek lastiger dan gedacht. Er ging veel tijd in zitten, veel meer tijd dan hij in eerste instantie had gedacht en hoewel hij over een engelengeduld beschikte en de kalmte zelf was, duurde het gewoon te lang. Hij moest haar gangen nagaan en de enige manier om dat te doen was keer op keer naar Groningen reizen. Alleen dat al nam 6 uur van zijn kostbare tijd in beslag. De eerste keer was enkel om de omgeving in kaart te brengen, er moest een plek worden gezocht vanwaar hij haar vanaf haar werkplek kon gaan schaduwen. Hiervoor reisde hij de eerste keer al vroeg af naar het noorden en bij aankomst realiseerde hij zich dat het veel te opzichtig was om tijdens kantooruren in haar nabijheid op onderzoek te gaan. Zo vulde hij de tijd in het centrum en onder het genot van een pilsje wachtte hij tot het einde van de middag, tot alle bedrijvigheid op z’n eind liep. Op een auto van een schoonmaakbedrijf na was de parkeerplaats leeg en was er verder geen teken van leven in het kantoor. Nu kon hij op zijn gemak een plek zoeken om onopvallend een paar uur achtereen de toegang in de gaten te houden. Het naburige café leek hem een geschikte plek en een kopje koffie kon hij wel gebruiken. Voor een doordeweekse dag was het er best wel druk, nagenoeg alle krukken aan de bar waren bezet en achterin, waar schijnbaar meer ruimte was, stonden mensen aan hoge ronde tafels. Het publiek was gevarieerd, veelal studenten en men was meer met elkaar bezig dan dat zij aandacht hadden voor een vreemdeling. Er stonden twee tafeltjes vlak bij het raam, hele kleine tafeltjes en niet uitnodigend om daar met meerderen te vertoeven, voor hem de ideale plek. Met een kopje koffie nam hij plaats op een stoel grenzend aan de wand van de corridor. Alwaar een dik velours gordijn een met glas-in-lood bewerkt karrenwiel aan een zware stalen constructie hing. Zo te zien kon het gordijn in de koude dagen als extra barrière tegen de kou worden ingezet. Maar nu hing het aan de zijkant en blokkeerde net het zicht van buitenaf naar binnen, het zicht op het stoeltje waarop hij zat.

Het duurde ruim 5 weken voordat hij in de gelegenheid zou zijn om het gevonden plekje in het café opnieuw te bezoeken. Deze keer benaderde hij het café vanaf de andere zijde, vanaf een nabij gelegen steegje. De weergoden hadden hun woord gehouden en de regen kwam met bakken naar beneden, voor hem het juiste moment. Er zouden geen mensen van het terras gebruik maken en ook hij kon zich prima onder een paraplu verschuilen. Het was rond 3 uur dat hij plaats nam, met een kopje koffie en een dikke plak Groningse koek. Het was druk, te druk naar zijn zin en kon met moeite de mensen onderscheiden die het kantoor in- of uitgingen. Daarnaast had hij een inschattingsfout gemaakt met de inname van het aantal kopjes koffie. Hoe graag hij dan ook de ingang in de gaten wilde houden, hij moest twee maal het kleinste kamertje bezoeken. Zou zij juist op dat moment zijn vertrokken? Net op het moment dat hij wilde vertrekken zag hij haar naar buiten komen. Ze bleef heel even onder de luifel staan, trok haar jas over haar hoofd en liep naar een gereedstaande auto, waarin een wat oudere heer achter het stuur zat. Binnen enkele seconden waren zij uit het zicht verdwenen.
Hij had tegen beter weten in gehoopt om bij de eerste poging iets van resultaat te boeken en derhalve best even boos om de verloren dag. Voordat hij de trein richting het westen instapte kocht hij 2 blikjes bier en een enkele mars, meer trek zou hij vast niet krijgen. Eenmaal station Utrecht naderend rommelde zijn maag zo erg en was de boosheid gezakt. Op het allerlaatste moment stapte hij uit en liep richting uitgang Jaarbeurs om beneden aan de trappen een portie spareribs te eten. Het was tegen middernacht dat hij de trap naar het voetgangerspad opliep en zijn kraag hoog optrok tegen de slagregen. Al hoewel de trams en bussen nog reden koos hij voor een lange wandeling naar huis.

De schelle fluit van de conducteur piepte nog na in zijn oren en terwijl deze het vertreksignaal aan de machinist doorgaf, de trein zich in beweging zette en de toegangsdeuren zich sissend sloten, zag hij haar richting de fietsenstalling lopen. Tevreden klapte hij een zitting neer en nam plaats naast een wat oudere heer. Voor nu leek hem het beste om niet gelijktijding met haar de trein uit te stappen. Hoewel er best wel veel reizigers uitstapten in Beilen, leek hem de kans om herkent te worden toch te groot. In Zwolle zou hij overstappen op de intercity en kon hij tijdens de lange rit nadenken over de volgende stap. Voor hem stond het vast dat zij de weg naar huis verder per fiets aflegde.
Tevreden keek hij terug op deze dag. Nog geen twee weken geleden schoot zijn doelwit in een auto en had hij voor niets uren in het café geobserveerd. Vandaag verliep dit anders, hij was nog een uur binnen toen zij het kantoor verliet en hij haar op gepaste afstand kon volgen naar het sta

Advertenties