Testie(s) 2


IMG_4301
Het rooster is nog steeds in leven, waarvan akte…

Op de zaterdagen hadden mijn (adoptie) ouders een vaste eetgewoonte. Bijna standaard werden er tosti’s gegeten. Een stapel verse melkwitte boterhammen werd gesmeerd en met enige precisie werden er plakken jonge kaas en een van de betere plakken ham tussen gelegd. 3 Stuks gingen er in het rooster, voor elke ouder een hele en voor mijn zusje en ik, een halve. Langzaamaan zag je de witte boterhammen in de Moulinex grill kleuren en rook je de onmiskenbare geur. Een mooi stukje vlees smelt samen met een stukje kaas, begonnen tussen twee witte boterhammen en uiteindelijk op haar bestemming. 

 

Een van de fijne herinneringen uit mijn jeugd was wel het eten, de fijne smaken van de Europese keuken. Mijn adoptiemoeder was een fijnproefster pur sang, zij hoefde iets maar 1x te proeven, om het daarna feilloos na te maken. In de betere dagen van haar bestaan leerde ik al etende alle mogelijke smaken kennen en herkennen. Wat ook veel op tafel verscheen, maar dan in een restaurant, was de ver-Europees-te Chinese keuken, waar af en toe een vleugje Indische kruiden aan werden toegevoegd. Men noemt dat bij de afhaal-Chinees nog steeds “Indonesisch”. Toen vond ik dat wel lekker, nu zou ik daar geen hap meer aan wagen. Want op latere leeftijd maakte ik kennis met een private oosterse dis, die de Indische keuken echt eer aan deed.

Als adoptiekind wist ik van jongs af aan, dat ik opgroeide bij mensen die niet mijn biologische verwekkers waren, maar wel mijn ouders. Al voordat ik mijn ogen fatsoenlijk open kon doen, was ik ergens niet gewenst. De omstandigheden waren daartoe en ga daar nu niet dieper op in, dat deed ik al in voorgaande blogs. Maar niet veel later ging dat gewoon door, dat niet gewenst zijn. Een niet gewenst gevoel, dat zich altijd zou openbaren als ik het idee ‘had’ ergens niet bij te horen. Als ik het idee ‘heb’ ergens niet bij te horen, want het is er nog steeds.
Dat kan van alles zijn, dat er niet bij horen. Ik weet nog goed dat er binnen de familie een roering ontstond bij de komst van mij en later mijn zusje. In de familie zaten er een paar die, in de grote emigratie-trek, naar Zuid-Afrika waren verkast en zich aldaar verheven voelden boven de oorspronkelijke bewoners. (Ik kan mij herinneren, dat bij een van die gezellige familie reünies, ik de gasaansteker van een der genoemden, in handen kreeg. Na wat gedraaid te hebben aan wat knopjes, was de gelukkige genoemde een kuif minder).

Ik ben opgegroeid zonder kennis over mijn roots. Het gekke was, achteraf gezien, dat mijn ouders mij wel verteld hadden over een oudere zus, maar nimmer waar mijn afkomst lag. Ik leerde dus te overleven in een cultuur die in de genen niet de mijne was. Nu zou je kunnen stellen, dat dat tussen mijn oren zat, maar de confrontatie was er wel degelijk regelmatig. Immers vraagt de doorsnee Hollander altijd naar jouw afkomst en als je dat niet weet, dan kan dat van alles worden. Een van mijn vrienden was zo vooruitstrevend om mij tijdens de treinkaping aan Molukkers te koppelen. Deuk nummer zoveel. Ook waren de grappen over mij ‘beter thuis te voelen in de Schilderswijk’ echt om over de grond te rollen. Wat moet je zeggen op zo’n moment? Dat je geen link hebt met de bewoners aldaar? Ik wist het niet. Dat maakt je ongewild stuurloos, het maakt je een makkelijke prooi bij wat voor onvrede of onderbuikgevoelens er dan ook spelen in de samenleving. (Vandaag een Erdogan fascist, morgen een kut-Marokkaan en volgende week een Syrische IS-aanhanger. Ik heb dat soort vergelijkingen aan moeten horen).

Het verlossende woord kwam later pas, toen mijn adoptievader overleed. Want daarna kon ik pas op zoek, gericht op zoek naar mijn roots. Mijn adoptievader was mijn vader, in hart en nieren. Deze man hield zo ontzettend veel van mij en kon er gewoon niet over praten dat ik een biologische zoon van een ander was. Ik was zijn zoon, punt uit en geen haar op mijn hoofd wilde hem daar mee kwetsen. Eerder zoeken was daardoor geen optie. Daar kwam verandering in toen ik mijn biologische vader leerde kennen. Een uit de klei getrokken Hollander, met roots in Oude Pekela, Groningen. Van hem hoorde ik dat ik een Indonesische moeder had. He he, na 23 jaar eindelijk weten waar je vandaan komt, althans, voor 50%. Die andere 50% kwam in 1988, toen mijn jongere zus Pascalle mij belde, pas toen ontdekte ik de rest van mijn herkomst. Ik was eindelijk biologische compleet.

Ik was geen tosti maar een Testie (Indo-Europeaan met een Hollandse vader en een Indo-Europese moeder).

Link naar deel 3
Link naar deel 1

“Zonder hoofd-haar, geen leven” is misschien wat overdreven, maar mijn haarwerk is een heel belangrijk onderdeel van mijn dagelijks bestaan. Zonder donatie’s is de aanschaf en het onderhoud niet haalbaar en daarom doe ik een dringend beroep op mijn lezers. Iedere euro is welkom en voor mij een geschenk uit de hemel! Voor een donatie kunt u HIERterecht.

Een gedachte over “Testie(s) 2

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s